De verplichting best gepast consumentenkrediet aan te bieden en zich anders te onthouden is verenigbaar met de Richtlijn Consumentenkrediet



bankcard-credit-shutterstock_410714692

Krediet – Consumentenkrediet – Consument – Best gepast krediet - Onthouding
In een arrest van 6 juni 2019 heeft het Europees Hof van Justitie zich uitgesproken over een prejudiciële vraag betreffende de verenigbaarheid met art. 5, lid 6, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, zoals gewijzigd) van de bepalingen van de ten tijde van het geschil nog geldende Wet Consumentenkrediet, krachtens welke de kredietgever het krediet moet zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast aan de consument (art. 15, eerste lid, Wet op het consumentenkrediet, intussen art. VII.75 WER) en slechts een krediet mag toekennen indien hij er redelijkerwijs van overtuigd is dat de consument in staat zal zijn de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen (art. 15, tweede lid, Wet op het consumentenkrediet, intussen art. VII.77, § 2, eerste lid WER).

Feiten
Het betrof een consumentenkrediet in 2012 toegekend voor een looptijd van 10 jaar aan een particulier voor de financiering van de plaatsing en aanschaf van zonnepanelen. De kredietnemer ontving het kredietbedrag en stortte het door naar het bedrijf dat de zonnepanelen zou plaatsen. Met dit plaatsingsbedrijf had de kredietnemer overeengekomen dat het bedrijf het doorgestorte bedrag in schijven zou terugbetalen aan de kredietnemer, in ruil voor de overdracht door de kredietnemer aan het bedrijf van de groenestroomcertificaten verbonden aan de met de zonnepanelen opgewekte elektriciteit.

Het plaatsingsbedrijf ging evenwel in 2013 failliet zodat de kredietnemer de zonnepanelen niet geplaatst kreeg.

De kredietnemer betaalde nog vier jaar de terugbetaling van het krediet aan de kredietgever maar vorderde toen in hoofdorde dat het krediet zou worden ontbonden wegens een tekortkoming van de kredietgever. De kredietnemer riep in dat de kredietgever de artikelen 10 e.v. Wet Consumentenkrediet had geschonden door hem een krediet aan te bieden dat te hoog was in verhouding met zijn inkomsten (en de twee hypothecaire leningen die hij naast het krediet nog moest afbetalen).

De kredietgever riep in dat de bepalingen waarop de kredietnemer zich beroept niet verenigbaar zijn met art. 5, lid 6, van richtlijn 2008/48, volgens welke de consument, op grond van de door de kredietgever verschafte informatie, moet beoordelen of het krediet wenselijk is, zonder dat op de kredietgever een algemene verplichting rust om het best aangepaste krediet te zoeken.

Het Vredegerecht van Wezet, waar de zaak aanhangig was, stelde dienvolgens een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie teneinde te weten of de nationale bepalingen al dan niet verenigbaar waren met art. 5, 6° Richtlijn 2008/48.

Verplichting best gepast krediet aan te bieden
Het Europees Hof van Justitie oordeelde in de eerste plaats dat een nationale regeling (zoals de Belgische) op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om het krediet te zoeken dat het best beantwoordt aan de behoeften van de consument en om hem dit krediet aan te bieden, niet verder gaat dan de speelruimte die Richtlijn 2008/48 de lidstaten toestaat.

Het Hof meent dat uit art. 22, lid 1, van Richtlijn 2008/48 weliswaar blijkt dat deze richtlijn voorziet in een volledige harmonisatie - zodat de lidstaten geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van die welke in die richtlijn zijn vastgesteld - maar dit neemt volgens het Hof niet weg dat de laatste volzin van art. 5, lid 6, van diezelfde richtlijn de lidstaten bewegingsruimte biedt, aangezien deze tekst bepaalt dat zij „de wijze waarop en de mate waarin [aan consumenten] bijstand wordt verleend” door kredietgevers en in voorkomend geval door kredietbemiddelaars, kunnen aanpassen. Volgens het Hof vormt het voorstellen van het krediet dat het best beantwoordt aan de behoeften van de consument een vorm van aanvullende bijstand die door Lidstaten kan worden opgelegd, aangezien de professionele kredietverstrekker het best in staat is om uit zijn normale aanbod het krediet te bepalen dat het best is aangepast aan de behoeften van de consument.

Verplichting af te zien van kredietaanbieding indien er geen gepast krediet is

Het Hof oordeelt in de tweede plaats dat art. 5, lid 6, en art. 8, lid 1, van Richtlijn 2008/48 zich niet verzetten tegen een nationale regeling (zoals de Belgische), op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.

Het Hof merkt op dat Richtlijn 2008/48 geen enkele bepaling bevat over de wijze waarop de kredietgever zich moet gedragen in geval van twijfel aan de kredietwaardigheid van de consument zodat de lidstaten nog steeds bevoegd zijn om de verplichtingen vast te stellen die aan de kredietgever kunnen worden opgelegd na de controle van de kredietwaardigheid.

Rekening houdend met het feit dat de beoordeling van de kredietwaardigheid tot doel heeft de consument te beschermen tegen de risico’s van een overmatige schuldenlast en van insolvabiliteit, is het volgens het Hof niet in strijd met het doel van art. 8, lid 1, van Richtlijn 2008/48 dat aan de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen een rechtsgevolg wordt verbonden in geval van een negatieve beoordeling. Derhalve is de bij een nationale wettelijke regeling aan de kredietgever opgelegde verplichting om af te zien van het sluiten van de kredietovereenkomst wanneer hij redelijkerwijs niet kan aannemen dat de consument, gelet op zijn financiële en persoonlijke situatie, in staat zal zijn om het krediet in overeenstemming met de overeenkomst af te lossen, niet in strijd met het doel van art. 8, lid 1, van Richtlijn 2008/48, en doet zij evenmin afbreuk aan de principiële verantwoordelijkheid van de consument om voor zijn eigen belangen te waken.

Régine Feltkamp








Our website uses analytical cookies (Google analytics) to analyse the use that is being made of our website and social media plug-in cookies are used to enable Modo to display content of social media.