Aanpassing wet roerende zekerheden

Pasted Graphic


Roerende zekerheden - Pand - Eigendomsoverdracht tot zekerheid - Krediet
Regeling inzake roerende zekerheden

De wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (
BS 2 augustus 2013, 48463; hierna “de Pandwet”) zal de Belgische regelgeving inzake de zakelijke zekerheden op roerende goederen ingrijpend hervormen door middel van de invoeging van een nieuwe titel XVIII in boek III van het Burgerlijk Wetboek, waarin de werking van het pandrecht, het eigendomsvoorbehoud en het retentierecht zal worden gereguleerd.

De inwerkingtreding van dit nieuwe wettelijke kader voor de voormelde zakelijke zekerheden op roerende goederen werd, bij wet van 26 november 2014 tot wijziging van de datum van inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (
BS 1 december 2014, 93115), reeds uitgesteld tot uiterlijk 1 januari 2017.

Dankzij dit uitstel kon een consultatie van practici actief op het terrein plaatsvinden, waardoor enkele aspecten van het nieuwe wettelijke kader die de praktijk zouden kunnen belemmeren werden vastgesteld.

Volgend op deze consultatie werd op 4 november 2016 het Wetsontwerp houdende de wijziging van verscheidene bepalingen betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen (
Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2138/001) ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Opzet wijzigingen

Dit wetsontwerp strekt ertoe de geïdentificeerde potentiële belemmeringen voor de praktijk te verhelpen door (1) het pandrecht en de voorziene werking van het pandregister verder op punt te stellen en te verfijnen en (2) een aantal wetten die eveneens, rechtstreeks of onrechtstreeks, betrekking hebben op het zakelijke zekerheidsrecht aan te passen om een effectieve wisselwerking met het wettelijk kader van de Pandwet mogelijk te maken.

Voornaamste wijzigingen

De voornaamste wijzigingen die het wetsontwerp aan de Pandwet beoogt door te voeren bestaan o.i. uit:

  • het uitstellen van de uiterste datum van inwerkingtreding van de Pandwet van 1 januari 2017 tot 1 januari 2018 (zie artikel 36 van het ontwerp);
  • het verduidelijken dat het pandrecht aan de pandhouder een voorrecht geeft (zie artikel 2 van het ontwerp);
  • het verduidelijken dat een pandrecht gevestigd kan worden op een roerend goed nadat het reeds onroerend is geworden door bestemming (zie artikel 4 van het ontwerp);
  • het herstellen van de vroeger reeds bestaande mogelijkheid tot herverpanding mits toestemming van de pandgever (zie artikel 6 van het ontwerp);
  • het afschaffen van de mogelijkheid om de tegenwerpbaarheid van het pandrecht op een schuldvordering te realiseren door registratie (zie artikel 7 van het ontwerp);
  • het vrijwaren van het automatisch karakter van het register en de efficiëntie ervan door niet langer te voorzien in een actieve tussenkomst van de administratie van de FOD Financiën bij geschillen over onjuiste gegevens (zie artikel 15 van het ontwerp);
  • het verruimen van de toegang tot het pandregister om de efficiëntie van het systeem en de tegenwerpbaarheid van het pandrecht aan alle derden te verzekeren (zie artikel 16 van het ontwerp);
  • het verkorten van de termijn voor het instellen van een verzoek tot rechterlijke controle a posteriori tot één maand omwille van de rechtszekerheid (zie artikel 24 van het ontwerp);
  • het verduidelijken dat het pandrecht voorrang heeft op alle jongere rechten op de verpande goederen (zie artikel 25 van het ontwerp); en
  • het actualiseren van de kruisverwijzingen in de Pandwet.

Naast deze wijzigingen is de wijziging die aan het toekomstig artikel 62 van titel XVII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek wordt doorgevoerd o.i. te benadrukken. Dit toekomstig artikel zou, in navolging van een arrest van het Hof van Cassatie (zie Cass. 3 december 2010,
Arr.Cass. 2010, nr. 712, concl. Adv.-gen. G. DUBRULLE, RW 2010-11, 1177, noot R. FRANSIS, TBBR 2011, 497, noot F. GEORGES, TBH 2011, 866, noot M. GRÉGOIRE en L. CZUPPER, Bank.Fin.R. 2011, 120, noot I. PEETERS, Ius & Actores 2011, 261, concl. DUBRULLE; NJW 2010, 834, concl. Adv.-gen. DUBRULLE, noot V. SAGAERT), de overdracht tot zekerheid van een schuldvordering in een pandrecht converteren door te stellen dat “een overdracht van een schuldvordering tot zekerheid (…) aan de overnemer enkel een pandrecht op de overgedragen schuldvordering [verleent]”.

Met betrekking tot deze wettelijke conversie waren in de rechtsleer echter reeds enige kritische bedingen geformuleerd,
inter alia, de vaststelling dat via de in een pand geconverteerde overdracht de wettelijke vereisten, die ter wille van de bescherming van de consument aan de inpandgeving van schuldvorderingen worden gesteld, omzeild zouden kunnen worden (zie R. FELTKAMP, “Overdracht tot zekerheid van schuldvorderingen: een bijzonder(e zeker)heid?”, 28 p.). Wij hebben daarnaast diverse kritische bedenkingen geuit bij de aanpak van de wetgever m.b.t. de eigendomsoverdracht tot zekerheid in het licht van andere bijzondere regelgevingen die in het bijzonder voor de financiële sector werden uitgevaardigd (zie voormeld artikel).

In artikel 28 van het wetsontwerp opteert de wetgever er nu voor te benadrukken dat de overdracht van schuldvordering in een inpandgeving van een schuldvordering zal worden geconverteerd – ook al is niet aan de vereisten van artikel 61 van de Pandwet voldaan – tenzij de overdrager een consument is. Het nieuwe artikel 62 van de Pandwet zal als volgt luiden:

Een overdracht van een schuldvordering tot zekerheid verleent aan de overnemer enkel een pandrecht op de overgedragen schuldvordering en zulks ongeacht of deze overdracht beantwoordt aan het bepaalde in artikel 61, behoudens wanneer de overdrager een consument is in de zin van artikel I.1, 2° van boek I van het Wetboek van economisch recht.

Artikel 61 van de Pandwet betreft enkel het bewijs van de pandovereenkomst door geschrift. Zo de voorschriften inzake bewijs niet worden nageleefd ten aanzien van een consument zal vervolgens de tekst van het wetsontwerp dus geen sprake zijn van conversie.

Verder beoogt het wetsontwerp enige vormelijke (inzonderheid het actualiseren van de kruisverwijzingen) en inhoudelijke wijzigingen door te voeren aan een aantal wetten die, rechtstreeks of onrechtstreeks, betrekking hebben op het zakelijke zekerheidsrecht, met name:

  • de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten (zie de artikelen 37 t.e.m. 46 van het ontwerp);
  • de wet van 3 augustus 2012 betreffende diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mobilisering van schuldvorderingen in de financiële sector (zie de artikelen 47 t.e.m. 53 van het ontwerp);
  • het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (zie de artikelen 54 t.e.m. 61 van het ont werp);
  • de hypotheekwet van 16 december 1851 (zie de artikelen 62 en 63 van het ontwerp);
  • het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten (zie artikel 64 van het ontwerp);
  • de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium (zie artikel 65 van het ontwerp);
  • het wetboek van vennootschappen (zie artikel 66 van het ontwerp);
  • de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen (zie artikel 67 van het ontwerp); en
  • de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders (zie artikel 68 van het ontwerp).

De wetswijzigingen, met uitzondering van de artikelen 31 t.e.m. 33 en artikel 68 (die in werking zullen treden op de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad), zouden in werking treden op de dag van inwerkingtreding van de Pandwet.

De tekst van het wetsontwerp werd op 15 december 2016 aangenomen door de Kamer.


Régine Feltkamp en Gerrit Hendrikx