Het lot van boedelschulden gemaakt tijdens een procedure van gerechtelijke reorganisatie in een navolgend faillissement – conflict met de pandhouder handelszaak - welke motivatie volstaat niet om de boedelschuldeiser betaling bij voorrang op de pandhouder handelszaak te ontnemen


Pasted Graphic

Pand op handelszaak - Gerechtelijke reorganisatie - Faillissement - Boedelschuld

Artikel 37 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (hierna WCO), bepaalt dat schuldvorderingen die betrekking hebben op prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie beschouwd worden als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement. (Vanaf 1 mei 2018 wordt de inhoud van artikel 37 WCO overgenomen in artikel XX.58 WER.)

Deze bepaling moet de cocontractanten van de vennootschap in gerechtelijke reorganisatie ertoe aanzetten hun relatie met de vennootschap in gerechtelijke reorganisatie verder te zetten. Immers, de boedelschulden die tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie ontstaan, zullen bij een navolgend faillissement niet onderworpen zijn aan de samenloop, maar zullen bij voorrang boven andere schulden worden voldaan.

Artikel 37, derde lid WCO bepaalt echter ook dat de betaling van deze boedelschuldeisers enkel afbreuk kan doen aan de rechten van schuldeisers met een zakelijk recht, voor zover die boedelschulden hebben geleid tot het behoud van die zakelijke zekerheid of de eigendom.

In haar
arrest van 22 februari 2018 (C.17.0503.N/1) spreekt het Hof van Cassatie zich uit over deze laatste aangelegenheid en verbreekt een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 2 maart 2017.

De feiten aan de basis van het arrest, voorwerp van cassatie, zijn als volgt.

Tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie levert een cocontractant prestaties (, zijnde het ontvangen en doorzenden van beelden van wielerwedstrijden (,ondermeer door het inzetten van vliegtuigen).

Hierdoor kan de vennootschap in gerechtelijke reorganisatie facturen uitschrijven aan haar klanten.

De vennootschap in gerechtelijke reorganisatie gaat vooralsnog failliet en, na faillissement, kunnen voornoemde facturen worden geïnd.

Er ontstaat een conflict tussen enerzijds de pandhouder handelszaak wiens pandrecht zich ook uitstrekt op de schuldvorderingen voortvloeiende uit de facturen en anderzijds de cocontractant die meent dat de betaling van zijn facturen bij voorrang moet gebeuren op die pandhouder handelszaak.

Het Hof van Beroep te Antwerpen motiveerde dat: 1.) het feit dat de facturen nog niet waren geïnd, niet betekent dat de cocontractant heeft bijgedragen tot het behoud van het pand, 2.) het pandrecht van de bank een wisselende samenstelling heeft waarvan de omvang pas relevant wordt op moment van faillissement, 3.) niet blijkt dat andere cocontractanten de prestaties niet ook hadden kunnen doen, 4.) geen bijzondere capaciteiten vereist waren waardoor de cocontractant als enige voldoende bekwaam was en 5.) de medewerking van de cocontractant wél nuttig maar niet onontbeerlijk was voor de verderzetting.

Het Hof van Cassatie oordeelt in het recent arrest van 22 februari 2018 dat die door het Hof van Beroep te Antwerpen aangehaalde redenen niet uitsluiten dat de economische waarde van de handelszaak werd bewaard en dat het Hof van Beroep derhalve op die basis niet kon beslissen dat de cocontractant voor de betaling van de boedelschulden geen voorrang kon krijgen op de pandhouder van de handelszaak.

Dit lijkt in elk geval een versoepeling in te leiden voor de boedelschuldeiser.

Ter herinnering: in haar
arrest van 28 februari 2014 (C.130201.F/2) oordeelde het Hof van Cassatie dat, wanneer het Hof van Beroep te Luik in haar arrest van 22 december 2012 besliste aan de boedelschuldeiser voorrang te geven op de pandhouder, de motivering van het Hof niet volstond. Het Hof had geoordeeld dat aan de boedelschuldeiser wél voorrang kon worden verleend op de pandhouder handelszaak op basis van de motivering dat de cocontractant verpakkingen was blijven leveren waardoor de vennootschap in gerechtelijke reorganisatie op haar beurt kon blijven leveren, en dus haar activiteit en handelsfonds had kunnen behouden.

Meer info:
D. Walravens