Verplichte bijdrage in de kosten van thermische-energieverbruik van gemeenschappelijke ruimten bij mede-eigendom: verboden ongevraagde levering t.a.v. de consument?

blur-close-up-coffee-coffee-cup-236699

Overeenkomst voor de levering van stadsverwarming - Niet-gevraagde leveringen - Oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten - Consument - Mede-eigendom - Kosten van het thermische-energieverbruik - Energie-efficiëntie – facturatie – Individuele meters

In het arrest van 5 december 2019 heeft het Europees Hof van Justitie zich gebogen over de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale regeling op grond waarvan elke eigenaar van een appartement in een gebouw waarnaar toevoer van thermische energie plaatsvindt krachtens een beslissing van de mede-eigenaren om dit gebouw op de stadsverwarming aan te sluiten, verplicht moet bijdragen in de kosten van het thermische-energieverbruik van de gemeenschappelijke ruimten van het gebouw.

Het geschil had betrekking op twee vorderingen tot betaling van facturen voor de kosten van het thermische-energieverbruik van de gemeenschappelijke ruimten en de interne installatie van een gebouw in mede-eigendom. De eigenaren van een appartement in dit gebouw weigerden deze facturen te betalen, op grond van de argumentatie dat hun gebouw weliswaar met een stadsverwarmingsnet van energie wordt voorzien op grond van een leveringsovereenkomst die is gesloten tussen de mede-eigenaren en de energieleverancier, maar dat zij er niet individueel mee hebben ingestemd dat gebruik wordt gemaakt van de stadsverwarming en dat zij deze verwarming niet gebruiken in hun eigen appartement.

Het Hof heeft zich vooreerst gebogen over de uitlegging van het
begrip consument in de zin van richtlijn 2011/83 betreffende consumentenrechten (“Richtlijn consumentenrechten”) en heeft geoordeeld dat de eigenaren en rechthebbenden op een zakelijk recht op het gebruik van een appartement in een gebouw in mede-eigendom dat is aangesloten op een stadsverwarmingsnet, in hun hoedanigheid van klanten van een energieleverancier onder dit begrip vallen, voor zover zij niet-bedrijfs- of beroepsmatig handelende natuurlijke personen zijn. Het Hof besluit hieruit dat de betrokken overeenkomsten voor levering van stadsverwarming overeenkomsten tussen handelaren en consumenten in de zin van artikel 3, lid 1, van de Richtlijn Consumentenrechten waren.

Vervolgens heeft het Hof het
begrip “ongevraagde levering” van een goed in de zin van artikel 27 Richtlijn Consumentenrechten verduidelijkt door aan te geven dat de toevoer van thermische energie naar de interne installatie en bijgevolg naar de gemeenschappelijke delen van een gebouw in mede-eigendom die plaatsvond nadat de mede-eigenaren van dat gebouw overeenkomstig het nationale recht hadden besloten om het op de stadsverwarming aan te sluiten, geen ongevraagde levering van stadsverwarming vormt.

Ten slotte heeft het Hof zich uitgesproken over de methode voor de facturering van het verbruik van thermische energie in gebouwen in mede-eigendom en de verenigbaarheid daarvan met de (intussen opgeheven)
Richtlijn 2006/32 en Richtlijn 2012/27 betreffende energie-efficiëntie. Het Hof geeft aan dat volgens Richtlijn 2006/32 de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de eindafnemers van met name elektriciteit en stadsverwarming, indien dit technisch mogelijk is, de beschikking krijgen over individuele meters die hun daadwerkelijke verbruik nauwkeurig weergeven. Volgens het Hof lijkt het echter moeilijk voor te stellen dat in gebouwen in mede-eigendom de facturen voor de verwarming, in het bijzonder wat de interne installatie en de gemeenschappelijke ruimten betreft, volledig per individuele gebruiker kunnen worden uitgesplitst. De appartementen in een dergelijk gebouw zijn op thermisch gebied immers niet onafhankelijk van elkaar, aangezien de warmte circuleert tussen de verwarmde eenheden en die welke minder of niet verwarmd worden. In die omstandigheden heeft het Hof, rekening houdend met de grote speelruimte waarover de lidstaten beschikken bij de berekeningswijze met betrekking tot het verbruik van thermische energie in gebouwen in mede-eigendom, vastgesteld dat de Richtlijnen 2006/32 en 2012/27 zich er niet tegen verzetten dat de warmte die door de interne installatie van een dergelijk gebouw wordt afgegeven, wordt berekend in verhouding tot het verwarmbare volume van elk appartement.

Régine Feltkamp

Een juridische vraag inzake elektriciteitslevering of (mede-)eigendom?
Régine Feltkamp en Dominique Walravens helpen je graag verder